De Nederlandse inkomstenbelasting is inmiddels al bijna 20 jaar geregeld in het ‘boxenstelsel’. We kennen drie boxen, te weten box 1 (inkomsten uit werk en woning), box 2 (inkomsten uit aanmerkelijk belang) en box 3 (inkomsten uit sparen en beleggen). Deze bijdrage gaat over de verhouding tussen box 2 en box 3.

Box 2 belast het inkomen dat wordt genoten uit een aanmerkelijk belang. Onder aanmerkelijk belang wordt verstaan 5% of meer van de aandelen in een kapitaalvennootschap (een BV of NV). Indien uw belang in een kapitaalvennootschap minder dan 5% bedraagt, wordt u belast in box 3. U bent dan namelijk aan het beleggen. Uw geld in box 2 wordt in twee fasen belast: allereerst wordt het in de kapitaalvennootschap zelf belast met vennootschapsbelasting en vervolgens wordt het nadat u geld aan uzelf uitkeert belast met inkomstenbelasting. De uiteindelijke heffing zal ongeveer overeenkomen met de box 1 belasting (de belasting, al dan niet inclusief premies, die betaald wordt in loondienst).

In box 3 is het anders: daar wordt u belast over een fictief rendement. Oftewel, de belastingdienst heft ca. 30% over dit rendement, ongeacht of het werkelijke rendement lager, gelijk of hoger is. Gemakshalve gaan we er voor deze bijdrage even vanuit dat het fictieve rendement 4% is. Op de precieze cijfers in box 3 nu en straks ga ik in een latere blogpost in. De redenatie was destijds (begin 21ste eeuw) dat iedereen gemakkelijk aan dit rendement kwam. Gerrit Zalm, destijds Minister van Financiën, reageerde op vragen hierover met de aankondiging dat als het ze niet lukt om 4% te halen, ze bij hem staatsobligaties tegen 6% rendement kunnen halen. Zoals u weet werkt het tegenwoordig niet meer zo. De spaarrente is nagenoeg 0% en het beleggingsrendement komt waarschijnlijk alleen boven de 4% uit wanneer er sprake is van een (semi-)offensief beleggingsprofiel. Dit maakt dat de box 3 heffing feitelijk belasting heft over geld dat u niet verdiend hebt: u zou kunnen zeggen dat dit een vorm van diefstal is.

Dit heeft ertoe geleid dat mensen hun geld in een BV hebben gestopt. Dit is een van de weinige manieren van ‘boxhoppen’: je geld parkeren in een andere box van de inkomstenbelasting omdat dat beter uitkomt. U kunt zich voorstellen dat in tijden waar de spaarrente laag is en de beurs volatiel is, het zeer aantrekkelijk is om slechts belasting te betalen over het daadwerkelijke rendement. Indien u niet belegt en de spaarrente 0,1% is, betaalt u dus slechts belasting over die 0,1%. Afhankelijk van de hoogte van het bedrag dat in de BV zit kunt u daar (tien)duizenden euro’s belasting mee besparen. De box 3 heffing is pas aantrekkelijker dan de spaar-BV indien u (ongeveer) evenveel rendement maakt als het fictieve rendement.

Na veel gedoe (waaronder veel rechtszaken) heeft de staatssecretaris aangekondigd het box 3 systeem op de schop te nemen. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen spaargeld en de rest. Spaargeld wordt voortaan belast met een fictief rendement van 0,09%, de rest tegen 5,33%. Ik herhaal: op de precieze cijfers, inclusief rekenvoorbeelden, ga ik in een latere bijdrage in. Feit is dat zodra dit wetsvoorstel in werking treedt, de spaar-BV overbodig is geworden als u slechts spaart. Het mogelijke voordeel van de spaar-BV zal nagenoeg verdwenen zijn. Echter, dit ligt anders voor laagrenderende (veilige) beleggingen! Zoals gezegd wordt ‘de rest’ met 5,33% fictief rendement belast. Onder ‘de rest’ vallen bijvoorbeeld ook de veilige, stabiele staatsobligaties. Juist omdat staatsobligaties veilig zijn, is dit fictieve rendement waarschijnlijk onmogelijk om ook daadwerkelijk te halen. Hiervoor kan de spaar-BV dus alsnog nuttig zijn. Wel dienen we de naam dan te veranderen naar ‘beleggings-BV’.

Een en ander is nog niet geheel zeker. Deze bijdrage zal aangepast worden indien er belangrijke wijzigingen doorgevoerd worden in het huidige wetsvoorstel. Mocht u nog vragen of opmerkingen hebben naar aanleiding van deze bijdrage, komen wij graag in contact met u.