Sinds 1972 is het voor ondernemers mogelijk om ieder jaar een bepaald deel van de winst belastingvrij opzij te zetten om te sparen voor het pensioen. Het gaat om 9,8% van de jaarlijkse winst, met een maximum van €8.631,00. Onlangs verscheen in Elsevier Weekblad een artikel stellende dat slecht geïnformeerde ondernemers steeds vaker geheel de mist ingaan met het toepassen van deze faciliteit. In deze korte bijdrage tracht ik de hoofdlijnen van de FOR uit te leggen.

Allereerst is het belangrijk om op te merken dat de FOR alleen toegankelijk is voor de zogenoemde IB-ondernemers. Dit zijn zelfstandigen die voldoen aan de vereisten gesteld door artikel 3.4 Wet IB 2001. Zo hebben onder andere de ondernemers met een eenmanszaak, in een VOF, in een maatschap en in een commanditaire vennootschap (maar alleen de beherende vennoten!) recht op toepassing van de FOR. DGA’s hebben dat niet, nu zij buiten het regime van box 1 blijven betreft hun ondernemingsinkomen. Voorts moet aan het urencriterium van 1225 uren per jaar voldaan worden. Hierdoor hebben commanditaire vennoten tevens geen recht op toepassing van de FOR.

Het is belangrijk om de aard van de FOR te begrijpen. Volgens het bovengenoemde artikel uit de Elsevier behandelen veel ondernemers de FOR abusievelijk als aftrekpost. Dit is niet juist. Hoewel de eerste stap van de FOR inderdaad het van de jaarwinst aftrekken van het gereserveerde bedrag is, moet tevens gedacht worden aan de tweede stap: het ook daadwerkelijk opzij zetten van het bedrag. De FOR is namelijk geen aftrekpost, maar een uitstelling van winstneming. Immers, andere aftrekposten zet u toch ook niet op uw balans? Het is belangrijk dat het geld ook daadwerkelijk opzij gezet wordt, omdat er een latente belastingclaim op rust: dat wil zeggen dat op het moment dat uw onderneming wordt gestaakt (bijvoorbeeld door overlijden), hier gewoon over afgerekend moet worden. Ook bij de inbreng van uw onderneming in een BV (geruisloos óf ruisend) is er sprake van een stakingsmoment ten aanzien van de FOR. Hoewel het mogelijk is om onmiddelijke heffing van het gehele bedrag te voorkomen met toepassing van een lijfrente, zal het geld daarvoor wel aanwezig moeten zijn.

Het komt er dus op neer dat bij toepassing van de FOR, dat bedrag ook daadwerkelijk opzij moet worden gezet. Gebeurt dit niet, dan wordt er geheven over geld dat er niet (meer) is.